Hoe mijn geluk steeds keren kan ik
Weet het niet maar het haalt mij onderuit
En schudt mijn spieren uit als een dood deken
Het haalt mij in en houdt mij bij het slaat mij
Met zijn degen en dan regent het in mij en niks
Is stil alles huilt schuilen kan ik wel vergeten
Wat ik ook sluip of mij verstop, of ik mij sterk hou
Of ga wenen. Als ik de blijde berg beklim
Mij overwin en aan iets ander denk dan aan mijzelf
de rompslomp van mijn tunneldonker leven
Vind ik weer de weemoed uit en duik in mijn verleden
En tref daar in een hoek het kind dat huilt haar mamma kwijt
Dat achter slot en grendel van een te zachtgekookt verstand
Zichzelf niet snapt en dan maar bijt en bijt en bijt
In een hart dat tot de nok is opgevuld met doornen
en met spijt.